Khutba 45 - De Leiding van Allah

Khutba 45 - De Leiding van Allah

Beste broeders en zusters,

 

Allah de Verhevene zegt:

 

وَإِنْ تَعُدُّوا نِعْمَةَ اللَّهِ لَا تُحْصُوهَا إِنَّ اللَّهَ لَغَفُورٌ رَحِيمٌ

“…en als je de gunsten van Allah telt, zul je ze stellig niet kunnen opsommen.” (Ibrahiem: 34)

Denk maar aan de gunst van gezondheid, onderdak, vrede, rust, voorziening, familie en goede vrienden… Maar de beste gunst die een dienaar kan krijgen, is de gunst van al-hidayah. Al-hidayah verandert het leven van een mens. Al-hidayah verandert de kijkwijze, het wereldbeeld van een mens. Al-hidayah verandert de doelen van een mens. Al-hidayah is een gunst die de mens grondig verandert. Al-hidayah verplaatst een mens vanuit de duisternissen naar het licht… Al-hidayah maakt van een slechte mens een goede mens…

Al-hidayah is in de handen van Allah. Allah leidt degene die Hij wil…

إِنَّكَ لَا تَهْدِي مَنْ أَحْبَبْتَ وَلَكِنَّ اللَّهَ يَهْدِي مَن يَشَاء وهو اعلم بالمهتدين

“Waarlijk, je zult hen die je wilt niet kunnen leiden, maar Allah leidt wie Hij wil; en Hij kent hen het beste die geleid willen worden.” (al-Qasas:56)

Aan wie wil Allah Zijn leiding geven? Allah leidt degene die zich oprecht inspant om de waarheid te vinden.

وَالَّذِينَ جَاهَدُوا فِينَا لَنَهْدِيَنَّهُمْ سُبُلَنَا

“En zij, die naar Ons streven, - Wij zullen hen zeker op Onze wegen leiden…” (al-Ankaboet: 69)

Enkele redenen voor het verkrijgen van al-hidayah

1. Smeekbede

Heel veel bekeerlingen vertellen dat zij voor de Islam Allah oprecht om Zijn leiding hebben gevraagd. Ook een moslim dient Allah in zijn smeekbedes om leiding te vragen. Echter, Allah heeft de moslims verplicht 17x per dag om leiding te vragen.

Een vraag: Ik ben een moslim. Allah heeft mij al leiding gegeven. Waarom moet ik per dag veelvuldig Allah om Zijn leiding vragen?

Antwoord: Een moslim vraagt Allah om leiding om twee redenen:

1- Om standvastig te blijven op het Pad van de Leiding

2- Om vermeerdering van de leiding. Want Allah zegt:

 

“En Allah vermeerdert leiding voor degenen die leiding volgen.” (Marjam: 76)

 

Om de vermeerdering van Al-hidayah te begrijpen, moet men eerst weten wat al-hidayah betekent: “De kennis van de waarheid en het praktiseren ervan.”

 

Wanneer wij Allah vragen om leiding, vragen wij Allah dus om de kennis van de waarheid te vermeerderen en om de kennis van de waarheid om te zetten in daden. Want er zijn vele zaken van de leiding die wij nog niet kennen en zo is er ook veel kennis die wij niet om zetten in daden. En daarom is het van belang om Allah om Zijn Leiding te vragen.

 

2. Schoon hart

Mensen die een rein hart hebben, zijn het meest waard de Leiding van Allah te verkrijgen. Allah zegt:

وَلَوْ عَلِمَ اللّهُ فِيهِمْ خَيْرًا لَّأسْمَعَهُمْ

“Als Allah enig goed in hen had geweten, zou Hij hen voorzeker (de waarheid) hebben doen horen.” (al-Anfal: 23)

3. Het zoeken naar de waarheid

Degene die naar de waarheid zoekt, zal uiteindelijk geleid worden door Allah. Luister mee naar het volgende verhaal:

Op gezag van Ibn ‘Abbas – radi Allahu ‘anhuma – die zei: Salman al-Farisi vertelde mij zelf zijn verhaal:

 

In Isfahan [destijds een provincie in Perzië, maar ook een stad]

“Ik was een Pers afkomstig uit Isfahan, een inwoner van een dorp aldaar met de naam Jayy[an]. Mijn vader was het dorpshoofd en ik was voor hem de meest dierbare van alle schepselen. Uit zijn liefde voor mij sloot hij me op in zijn huis (om op het Vuur te letten) net zoals een meisje wordt opgesloten. Ik werkte hard (om meer te leren over) het Zoroastrische geloof [met de profeet Zarathoestra] totdat ik de bewaker van het Vuur werd, die het brandende hout nooit toestond dat het ook maar voor een moment uitging.

 

Mijn vader bezat een groot stuk land [goed]. Op een dag was hij bezig met één van zijn gebouwen. Dus hij zei tegen me: ‘Mijn dierbare zoon, vandaag ben ik bezig met een gebouw (en kan ik niet op) mijn landgoed letten. Dus ga en zorg ervoor’. Hij vroeg me bepaalde dingen te doen die hij wilde.

Ik vertrok om naar zijn landgoed te gaan en kwam voorbij een kerk van

De christenen en ik hoorde daarin hun stemmen terwijl zij aan het bidden

waren.

 

Ik wist niet wat mensen deden, omdat mijn vader me in zijn huis opsloot. Toen ik hen passeerde en hun stemmen hoorde ging ik naar binnen om te zien wat ze aan het doen waren. Toen ik hen zag beviel hun gebed mij en voelde ik me tot hen aangetrokken. En ik zei: ‘Bij God! [Allah] Dit is beter dan onze religie’ Bij God! Ik verliet hen niet tot aan zonsondergang en vergat mijn vaders landgoed en ging daar niet naar toe. Ik zei tegen hen (de christenen): ‘Waar komt deze religie vandaan?’ en ze zeiden: ‘Uit Sham’. [Sham bestond destijds uit Syrië, Palestina, Jordanië en Libanon]

 

Toen keerde ik terug naar mijn vader nadat hij mensen er op uit had gestuurd om mij te zoeken. Ik had hem volledig afgeleid van al zijn zaken. Toen ik naar hem toe ging zei hij: ‘Mijn dierbare zoon, waar was je? Had ik jou geen taak toevertrouwd?’ Ik zei: ‘Mijn vader, ik kwam voorbij een groep mensen die in hun kerk aan het bidden waren en wat ik opmerkte over hun religie beviel me. Bij God! Ik bleef bij hen tot aan zonsondergang.’ Hij zei: ‘Mijn zoon, er zit niets goeds in die religie. Jouw religie en de religie van jouw voorvaderen is beter’. Ik zei: ‘Nietwaar [dat kan niet]. Bij God! Ze is beter dan onze religie’. Mijn vader vreesde voor me dus ketende hij me vast en sloot hij me op in zijn huis.

 

Ik stuurde (een boodschap) naar de christenen en ik zei tegen hen: ‘Als een karavaan van christelijke handelaren uit Sham komt, informeer mij dan over hen’. Er kwam een karavaan van christelijke handelaren uit Sham naar hen toe en zij informeerden mij over hen. Ik zei tegen hen: ‘Wanneer zij klaar zijn met hun zaken en terug willen keren, informeer mij dan over hen’. Dus toen zij terug wilden keren naar hun land, informeerden zij mij over hen. Ik verwijderde de ketenen van mijn voeten en vertrok met hen totdat ik in Sham aankwam.

 

Toen ik in Sham aankwam zei ik: ‘Wie is de beste man (onder de mensen) van deze religie?’ Ze zeiden: ‘De bisschop in de kerk.’ Dus ik ging naar hem toe en zei (tegen hem): ‘Deze religie bevalt me en ik zou graag bij jou willen zijn om jou te dienen in jouw kerk, van jou te leren en met jou te bidden.’ Hij zei: ‘Kom binnen’ en aldus ging ik met hem (leven).

 

Hij was een slechte man. Hij droeg mensen op aalmoezen (te betalen) en spoorde hen er toe aan dit te doen, maar wanneer zij (de aalmoezen) verzamelden en naar hem brachten, bewaarde hij ze voor zichzelf en gaf hij ze niet aan de behoeftige armen, totdat hij zeven volle kruiken met goud en zilver had. Ik haatte hem diep vanwege deze daad. Toen hij stierf verzamelden de christenen zich om hem te begraven. Ik zei tegen hen: ‘Hij was een slechte man. Hij droeg jullie op liefdadigheid te schenken en spoorde jullie aan dit te doen, maar toen jullie naar hem (het geld verzameld als liefdadigheid) brachten, bewaarde hij dit voor zichzelf en gaf hij dit niet aan de armen.’ Zij zeiden: ‘En hoe weet jij dit?’ Ik zei: ‘Ik zal jullie zijn voorraad laten zien.’Zij zeiden: ‘Laat deze dan aan ons dan zien.’ Ik liet hen zien waar deze was en zij brachten zeven volle kruiken met goud en zilver te voorschijn. Toen zij deze zagen zeiden ze: ‘Bij God! We zullen hem nooit begraven.’ Toen kruisigden en stenigden [bekogelden met stenen] ze hem.

 

Toen benoemden ze een andere man in zijn plaats. Ik heb nooit een niet-moslim [letterlijk: een man die niet de 5 voorgeschreven gebeden verricht] beter dan hem gezien: minder hebzuchtig naar de wereldse rijkdom, meer geneigd naar het leven hierna [het Hiernamaals] en harder werkend dag en nacht. Dus ik hield van hem zoals ik van niemand hield vóór hem en ik bleef een periode bij hem.

 

Toen begon hij tekenen te vertonen van sterven. Dus ik zei tegen hem: ‘Ik ben bij jou gebleven en hield van jou zoals ik van niemand voor jou hield en zoals je ziet, is de wil van God naar jou gekomen. Dus wie raad jij me aan en wat draag je me op te doen?’ Hij zei: ‘Mijn zoon, bij God, ik ken niemand die tegenwoordig een leven leidt zoals ik leidde. Mensen zijn verdwenen en veranderd en hebben veel opgegeven van wat zij koesterden, behalve één in Mosul [Noord-Irak]. Hij is zo-en-zo [fulan]. Hij leidt een leven zoals ik dat leidde. Dus ga en vergezel hem.’

 

In Mosul

Toen hij stierf en begraven werd, voegde ik me bij de man in Mosul en ik

zei tegen hem: ‘Die-en-die raadde mij toen hij stierf aan jou te vergezellen en

informeerde me jouw manier van leven te volgen.’ Hij zei tegen me: ‘Blijf bij

me.’ Dus ik bleef bij hem en stelde vast dat hij de beste man was die volgde in

de voetstappen van zijn vriend. Maar al snel overleed hij. [Hij was op hoge leeftijd]. Toen hij op het punt stond te sterven zei ik tegen hem: ‘Die-en-die heeft mij jou aangeraden en me opgedragen jou te vergezellen. En zoals je ziet is de wil van God naar jou gekomen. Dus wie raad jij me aan en wat draag je me op te doen?’ Hij zei: ‘Mijn zoon, bij God, ik ken niemand die een leven leidt dat wij leidden behalve één in Nisibis [nu Nusaybin in Turkije] en hij is zo-en-zo, dus ga en vergezel hem.’

 

In Nisibis

Toen hij stierf en begraven werd, voegde ik me bij de man in Nisibis en vertelde ik hem mijn verhaal en informeerde ik hem over wat mijn (voormalige) mentor me had gevraagd te doen. Hij zei: ‘Blijf bij me’ en aldus bleef ik bij hem en stelde ik vast dat hij de voetstappen volgde van zijn twee metgezellen. En ik leefde met de beste man. Maar bij God, de dood kwam hem snel halen. Toen hij op het punt stond te sterven zei ik tegen hem: ‘Die-en-die heeft me gevraagd naar die-en-die te gaan en hij had me gevraagd naar jou te gaan. Naar wie wil jij dat ik ga en wat draag je me op te doen?’ Hij zei: ‘Mijn zoon, bij God, wij kennen niemand die nog steeds onze manier van leven volgt van wie ik jou kan vragen naar hem toe te gaan behalve één in Amorion [Turkije, destijds Byzantium, het Oost-Romeinse rijk]. Hij leidt een leven zoals wij deden. Dus als je wil, ga naar hem want hij volgt onze manier van leven.’

 

In de tweede helft van de khoetbah zal ik het verhaal van Salmaan radiallahoe anh afronden.

 

In Amorion

Toen hij stierf en begraven werd, voegde ik me bij de man in Amorion, [een – christelijke – monnik] en vertelde hem mijn verhaal en hij zei: ‘Blijf bij me.’ Dus ik bleef bij een man die de lijn doortrok van zijn metgezellen. Ik vergaarde wat geld en bezat enkele koeien en schapen. Toen kwam de wil van God naar hem. Toen hij op het punt stond te sterven zei ik tegen hem: ‘Ik was met die-en-die, en hij vroeg me naar die-en-die te gaan en hij vroeg me naar die-en-die te gaan en deze vroeg me naar jou te gaan. Naar wie wil jij dat ik ga en wat draag je me op te doen?’ Hij zei: ‘Mijn zoon, ik ken niemand die zich conformeert aan onze manier van leven van wie ik jou mag vragen naar hem toe te gaan, maar jij nadert de tijd van een profeet die met de religie van Abraham gezonden zal worden en die zal verschijnen onder de Arabieren en naar een land zal migreren tussen twee landen bedekt met lava en met palmbomen die daar tussenin groeien [een oase]. Hij heeft [3] duidelijke tekenen: [1.] hij zal eten wat als een geschenk wordt gegeven maar [2.] niet als liefdadigheid, en [3.] er bevindt zich een zegel van profeetschap tussen zijn schouders. Als je naar dat land zou kunnen gaan, doe dat.’ Toen stierf hij en werd hij begraven.

 

In Wadi’l-Qura [op het Arabisch schiereiland]

Ik bleef in Amorion zolang God dat wilde. Toen kwam een groep handelaren van de stam [Banu] Kalb voorbij. Ik zei tegen hen: ‘Neem me mee naar Arabië en ik zal jullie deze koeien en schapen van mij geven.’ Zij zeiden: ‘Ja[, ok]’ en ik gaf hen de koeien en schapen en zij namen mij met hen mee totdat we in Wadi’l-Qura aankwamen toen zij mij bedrogen en me aan een jood als slaaf verkochten.

 

In de stad van de Profeet

Ik bleef bij hem en ik zag palmbomen en hoopte dat het het land was dat mijn metgezel aan mij had beschreven, maar ik was er niet zeker van. En terwijl ik bij hem verbleef, kwam een neef van hem van de stam van Banu Quraizah [een joodse stam] die in Medina woonde naar hem toe, en mijn meester verkocht me aan hem en hij nam me mee naar Medina. Bij God, toen ik [Medina] zag herkende ik [de stad] van de beschrijving van mijn vriend. Ik verbleef daar. God had reeds Zijn Profeet gezonden en hij verbleef in Mekka zolang hij daar diende te blijven. Ik had geen nieuws over hem vanwege de staat van slavernij waarin ik verkeerde. Toen migreerde hij naar Medina. Bij God, ik bevond me in de top van een palmboom die aan mijn meester toebehoorde aan het werk en mijn meester zat beneden toen een neef van hem kwam en bij hem stond en zei: ‘Vervloekt zij Banu Qailah [d.w.z. de Arabieren, in het bijzonder de Banu Aws en Banu Khazraj]. Zij zijn nu verzameld bij Quba rond een man die vandaag naar hen toe kwam vanuit Mekka die beweert een profeet te zijn.’ Toen ik dit hoorde, voelde ik me koortsachtig/duizelig en dacht ik dat ik op mijn meester zou vallen. Ik kwam naar beneden uit de palmboom en begon toen aan zijn neef te vragen: ‘Wat zeg jij? Wat zeg jij?’ Mijn meester was kwaad en sloeg mij hard zeggende: ‘Wat gaat jou dat aan? Houd je bezig met je [eigen] zaken.’ Ik zei: ‘Niets, ik wilde me slechts verzekeren van wat hij zei.’ Ik had iets dat ik had verzameld [eten: dadels hoogstwaarschijnlijk]. Toen het avond was pakte ik het en ging ik naar de Boodschapper van Allah in Quba. Ik zei tegen hem: ‘Ik hoor dat jij een goede man bent en dat jij metgezellen hebt die hier vreemdelingen zijn en behoeftig zijn. Hier is iets dat ik weg wil geven uit liefdadigheid en ik denk dat jij het meer verdient dan anderen.’ Ik presenteerde het aan hem en de Boodschapper van Allah zei tegen zijn metgezellen: ‘Eet’ en hij trok zijn hand terug en at [zelf] niet. Ik zei tegen mezelf: ‘dit is één (van de tekenen).’

 

Toen ging ik terug en verzamelde iets [te eten] – tegen deze tijd was de

Boodschapper van Allah s.a.w.s. naar Medina verhuisd – en kwam ik bij hem

en zei: ‘Ik merkte op dat jij niet eet wat uit liefdadigheid wordt gegeven en dit

is een geschenk dat ik aan jou wil presenteren.’ De Boodschapper van Allah

s.a.w.s. at ervan en vroeg zijn metgezellen te eten en zij aten ook met hem. Ik

zei tegen mezelf: ‘Dit zijn twee (van de tekenen).’ Toen ging ik naar de

Boodschapper van Allah bij (de begraafplaats) Baqi al-Ghardaq waar hij de

begrafenis bijwoonde van één van zijn metgezellen. Hij was bedekt met twee

doeken en ik zat bij zijn metgezellen. Ik groette hem en ging achter hem staan

om naar zijn rug te kijken om uit te vinden of ik het zegel kon zien dat mijn

vriend aan mij had beschreven. Toen de Boodschapper van Allah mij achter

hem zag gaan staan, wist hij dat ik iets wilde vaststellen dat aan mij beschreven was. Aldus tilde hij de doek van zijn rug op. Ik keek naar het zegel en ik wist het, en viel, kuste om hem heen en huilde.

 

De Boodschapper van Allah s.a.w.s. zei tegen me: ‘Kom naar voren.’ Dus ik kwam naar voren en vertelde hem mijn verhaal net zoals ik het tegen jou heb verteld O zoon van ‘Abbas. De Boodschapper van Allah s.a.w.s. was blij dat zijn metgezellen er naar luisterden.

 

(Salman werd door slavernij verhinderd deel te nemen aan de veldslagen van Badr en Uhud. Hij zei:) ‘De Boodschapper van Allah s.a.w.s. zei tegen me: ‘Koop je vrijheid, O Salman.’ Dus ik sloot een overeenkomst met mijn meester dat ik mijn vrijheid zou verkrijgen in ruil hem te voorzien van 300 palmstekken en ze te planten, naast de betaling van 40 ons goud. De Boodschapper van Allah s.a.w.s. zei tegen zijn metgezellen: ‘Help jullie broeder’ en dus hielpen ze mij met palmstekken: één met 30 stekken, een ander met 20, een derde met 15, en een vierde met 10; iedereen met wat hij had, totdat ik 300 stekken verzamelde. De Boodschapper van Allah s.a.w.s. zei tegen me: ‘Ga Salman, en graaf de gaten en wanneer je klaar bent kom dan naar me toe zodat ik (de stekken) daarin met mijn eigen hand kan plaatsen.’ Ik groef de gaten met de hulp van mijn vrienden en toen ik klaar was ging ik naar hem toe en informeerde ik hem. De Boodschapper van Allah vertrok met mij naar de gaten. We begonnen de stekken vlakbij de Boodschapper van Allah s.a.w.s. te brengen en hij begon ze met zijn hand te plaatsen. Bij God, niet een enkele stek daarvan ging kapot. [Terwijl dit wel normaal was.]

Ik had de palmstekken gepland maar de betaling van het geld resteerde. In één van de oorlogsexpedities ontving de Boodschapper van Allah s.a.w.s. goud met de grootte van een kippenei. Hij zei: ‘Wat heeft de Pers die zijn invrijheidsstelling wenst gedaan?’ Dus ik werd geroepen hem te (zien). Hij zei: ‘O Salman, neem dit [aan] en betaal ermee wat jij verschuldigd bent.’ Ik zei: ‘O Boodschapper van Allah, wat is dit in verhouding tot wat ik verschuldigd ben?’ Hij zei: ‘Neem het [aan] en Allah zal ermee betalen namens jou.’ Ik nam het [aan] en woog het voor hen – bij Hem Die de ziel van Salman in Zijn Hand houdt – veertig ons en betaalde hen volledig wat ik verschuldigd was. Ik verkreeg mijn vrijheid en nam deel aan de Slag om de Greppel [al-Khandaq] en [sindsdien] miste ik geen veldslag [meer] met hem.”

 

Moge Allah ons Zijn Leiding schenken.

 

“Wa’l-hamdoelillahie Rabbi’l A’lemien.”